Opleidingsinstituut JTI®
advies | training | verkoop | examinering
Nieuwe BHV-norm in ontwikkeling
Brandveiligheid in zorginstellingen moet beter
Nieuw schema onderhoud blusmiddelen
Wijziging Arbeidsomstandighedenregeling
Nieuw Bouwbesluit van kracht op 1 april 2012
BHV niet ingeburgerd bij werknemers
Bestuurder is verantwoordelijk voor brandveiligheid
Belang van ontruiming wordt vaak onderschat
Gesproken ontruimingsalarmering werkt beter
Certificaat Eerste Hulp aan Kinderen voor Gastouders verplicht
Wijzigingen arbowetgeving per 1 juli 2011
Vereenvoudiging ri&e-regels voor kleine bedrijven
April, 2012

Nieuws

RSS
Inlener én uitlener aansprakelijk?
2012/04/03 19:27:38
03 april 2012

Een man wordt eind juni 2003 door Randstad uitgeleend aan een transportbedrijf dat voor UPS vracht vervoert op Schiphol. Op 2 februari 2004 bezorgt hij met een vrachtwagen enkele pallets met goederen in een loods van UPS.

Hij zet de wagen met de achterkant tegen een opening in de loods en gaat dan met een elektrisch aangedreven pompwagen de pallets uitladen. De pallets worden dan aan weerskanten van de dockshelter gezet en vervolgens met een reachtruck naar hun eindbestemming in de loods gebracht. Rond half vijf staan er zeven pallets in de ene rij en drie aan de andere kant. Als hij een volgende pallet wil ophalen, botst hij achteruitlopend voor de achteruitrijdende pompwagen tegen een stilstaande reachtruck, zodat hij tussen beide trucks bekneld raakt. Om half tien ’s avonds gaat hij met diverse klachten naar de afdeling spoedeisende hulp van een ziekenhuis. Ook meldt hij zich ziek bij Randstad. Hij stelt zowel Randstad als UPS aansprakelijk voor de schade.

De kantonrechter wijst in december 2009 de vordering tegen inlener UPS toe, maar tegen de uitlener Randstad af. De werknemer gaat in beroep. Het hof stelt voorop dat als een werknemer tewerk wordt gesteld bij een derde om werkzaamheden te verrichten in de uitvoering van diens bedrijf, waarbij de eigenlijke werkgever de zorg voor de veiligheid van de werknemer geheel of gedeeltelijk aan de inlener overlaat, die werkgever zowel voor een tekortschieten van de inlener in die zorg als voor eigen tekortschieten aansprakelijk is. Daarbij is niet van belang in hoeverre de werkgever zeggenschap over de werknemer heeft behouden.

Maar ook de inlenende werkgever is op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. In dit geval heeft Randstad de man uitgeleend aan UPS om daar werk te doen waarbij Randstad de zorg voor de veiligheid geheel aan UPS heeft overgelaten. UPS is, zoals door de kantonrechter is vastgesteld, tekortgeschoten in haar zorgplicht. Daaruit volgt dat Randstad in beginsel aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het ongeval. Omdat UPS al tot schadevergoeding is veroordeeld, bepaalt het hof dat Randstad alleen die schade moet voldoen die nog niet is vergoed.

Bron: Gerechtshof Amsterdam, 27 december 2011, LJN: BU9564
Boete voor onveilige steiger
2012/02/22 20:11:06
22 februari 2012

Bij spuitwerkzaamheden valt een werknemer van een rolsteiger en wordt met verbrijzelde hielen opgenomen in een ziekenhuis.

De steiger werd aangereden door een rupsdumper van een ander bedrijf dat tegelijkertijd sloopwerkzaamheden uitvoerde. De rupsdumper werd gebruikt voor het afvoeren van sloopafval.

De arbeidsinspectie constateert dat de wielen van de steiger niet op de rem stonden en dat de steiger niet overal was voorzien van een leuning. De werkgever van het slachtoffer krijgt een boete van 5400 euro.

Bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard en de werkgever gaat in hoger beroep.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelt vast dat volgens Artikel 3.16 eerste lid Arbobesluit bij werk waarbij valgevaar bestaat, een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer moet zijn aangebracht. Of anders moet het gevaar worden tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken of andere voorzieningen. Er is sprake van risico-verhogende omstandigheden als er een kans is om meer dan 2,5 meter te vallen.

De werkgever vindt dat hem niets te verwijten valt. Het slachtoffer moest als veiligheidsfunctionaris toezien op de naleving van de veiligheidsmaatregelen, maar heeft zelf nagelaten een valbeugel te plaatsen. Daarover waren heldere afspraken gemaakt. Ook zou de boete moeten worden gematigd. In de wet staat nergens dat voor specifieke werkzaamheden op locatie een aparte risico-inventarisatie moet worden gemaakt. De risico’s waren bekend en ook de veiligheidsfunctionaris wist daarvan.

Volgens de Afdeling bevat artikel 3.16 Arbobesluit geen opzet of schuld als bestanddeel. Daarom is het vaste jurisprudentie, dat de overtreding vaststaat als niet aan het voorschrift is voldaan. Dan mag in beginsel van verwijtbaarheid worden uitgegaan, en als de werkgever aanvoert dat hem geen verwijt kan worden gemaakt, moet hij dit aannemelijk maken. Het slachtoffer is van een verrijdbare steiger gevallen die niet overal een leuning had. De wielen stonden niet op de rem. Ook werd er tegelijkertijd door anderen sloopwerk gedaan, waarbij het sloopafval werd afgevoerd door een mobiel arbeidsmiddel.

Vaststaat dat de voorgeschreven veiligheidsmaatregelen niet in acht zijn genomen en dat de wettelijke bepaling is overtreden. Dat het slachtoffer plaatsvervangend veiligheidsfunctionaris was, betekent nog niet dat de werkgever geen toezicht moet houden. Maar daar is niets van gebleken. Dat betekent dat er wel degelijk sprake is van verwijtbaarheid. Hoewel de risico-inventarisatie niet altijd op schrift hoeft te staan, moet de werkgever wel aannemelijk maken dat de risico’s vooraf voldoende zijn geïnventariseerd.

Ook daarin is de werkgever niet geslaagd, waarbij wordt opgemerkt dat er anderen aan het werk waren en dat nergens uit blijkt dat met die anderen deugdelijke afspraken waren gemaakt. Dus is er niet voldaan aan het eerste vereiste van beleidsregel 33 voor het matigen van de boete: er moet een risico-inventarisatie van de werkzaamheden zijn gemaakt. Omdat dit niet is gebeurd, komen de overige criteria voor het matigen van de boete – te weten voorlichting en het redelijkerwijs te houden toezicht – niet aan de orde. Het beroep wordt verworpen.

Bron: Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 6 juli 2011, LJN: BR0512

Boete voor niet meten luchtkwaliteit
2011/12/21 19:27:38
21 december 2011

Een bedrijf laat twee werknemers een ruimte betreden na een lekkage waarbij ammoniak vrijkomt, zonder dat eerst de concentratie van gevaarlijke stoffen in de ruimte is gemeten.

Door de economische kamer van de rechtbank Middelburg is het bedrijf in september 2010 in eerste instantie voor meerdere feiten beboet tot een bedrag van 140.000 euro, waarvan 60.000 euro voorwaardelijk.

Het gerechtshof denkt daar anders over en spreekt het bedrijf voor vier van de vijf ten laste gelegde feiten vrij. De zaak spitst zich toe op bovengenoemde zaak. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat artikel 16 lid 10 Arbowet in combinatie met artikel 3.5g Arbobesluit niet is nageleefd.

Ondanks dat er in de pompenzaal van de fabriek een lekkage van carbamaat was en vermoed kon worden dat de atmosfeer in die ruimte ammoniak kon bevatten waardoor er gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging of brand bestond, hebben werknemers deze ruimte betreden. Daarmee is een voorschrift dat diende tot bescherming van de gezondheid van werknemers niet nageleefd. Dat houdt in beginsel in dat een geldboete van 4500 euro passend zou zijn.

Maar het hof is ook van oordeel dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De behandeling is niet binnen twee jaar met een eindvonnis afgerond, en er waren geen bijzondere omstandigheden die overschrijding van een redelijke termijn rechtvaardigen. Daarom wordt de boete verlaagd tot 3000 euro, waarbij ook rekening wordt gehouden met de financiële positie van het bedrijf.

Het OM is in cassatie gegaan.

Bron: Gerechtshof 's-Gravenhage, 11 februari 2011, LJN: BQ9407

Scholier dood door hefmast
2011/10/24 19:02:38
24 oktober 2011

In mei 2009 moet een 17-jarige scholier in het kader van een examenopdracht bij een boerderij een hefmast koppelen aan een landbouwtrekker. Op enig moment wordt hij aangetroffen achter de trekker, zittend op de betonnen vloer met de hefmast op zijn schouders.

Door het gewicht van de hefmast loopt hij een inwendig borsttrauma op en hij overlijdt. Volgens de Arbeidsinspectie was de hefmast niet stabiel opgesteld of geborgd tegen omvallen. Ook was het toezicht op deze jeugdige werknemer niet goed georganiseerd. Wegens overtreding van art. 7.4 derde lid (veilige plaats arbeidsmiddel) en 7.39 Arbobesluit (arbeid jeugdigen bij trekkers etc. alleen onder toezicht) wordt een boete opgelegd van 4500 euro.

Bezwaar is vergeefs en de werkgever gaat in beroep. Hij stelt dat de hefmast wel stabiel was, en dat dat zou blijken uit de foto’s, de reconstructie en de toelichting op de hoorzitting. De rechtbank stelt vast dat de hefmast op een ijzeren kokerbalk stond en is omgevallen, waardoor het slachtoffer om het leven is gekomen.

Verder is uit de natuurkundige berekening in het aanvullend boeterapport voldoende komen vast te staan dat een verkeerde plaatsing van de hefmast op de ijzeren kokerbalk instabiliteit met zich meebrengt. De werkgever heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de hefmast wel stabiel stond.

De enkele stelling dat de hefmast tijdens de reconstructie niet is omgevallen is onvoldoende, omdat daaruit niet blijkt dat het omvallen van de hefmast onder deze omstandigheden onmogelijk is. Zeker nu de werkgever geen concrete, aannemelijke verklaring voor het omvallen van de mast heeft kunnen geven. Ook is er geen andere, waarschijnlijker oorzaak aangevoerd. De hefmast was nergens aan vastgezet. Het omvallen had voorkomen kunnen worden door de mast bijvoorbeeld met kettingen aan de muur te zetten.

Daarom is artikel 7.4, derde lid, Arbobesluit overtreden. Het is vaste jurisprudentie dat dan ook van verwijtbaarheid van de overtreding wordt uitgegaan. Als de werkgever stelt dat hem geen enkel verwijt valt te maken, moet hij dit aannemelijk maken. Verwijtbaarheid ontbreekt als de werkgever alles heeft gedaan wat in redelijkheid van hem verwacht mag worden om de overtreding te voorkomen.

Dit betekent dat hij zich op de hoogte stelt van de risico’s en de nodige middelen ter beschikking stelt om deze risico’s tegen te gaan, daarnaast de werknemer instructies geeft en voldoende feitelijk toezicht houdt of laat houden op de werkzaamheden. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval wel degelijk sprake is van verwijtbaarheid. De risico’s van het plaatsen van de hefmast waren niet geïnventariseerd en geëvalueerd. Daarmee is niet voldaan aan de eerste factor van beleidsregel 33, vierde lid, aanhef en onder a. Aangevoerd is dat het ging om een leer/werkstage in een solitair beroep, waardoor hij als werkgever niet continu overal bij kon zijn om toezicht te houden.

De rechtbank overweegt dat in het Arbobesluit specifieke regels staan voor het houden van toezicht op jeugdige werknemers. Als dat niet mogelijk is, mag het werk niet door jeugdigen worden uitgevoerd. Op grond van dit alles oordeelt de rechtbank dat de boete terecht was.

Bron: Rechtbank Breda, 20 mei 2011, LJN: BQ5647
Onveilige transportband
2011/10/14 16:53:19
14 oktober 2011


Een werknemer werkt als ploegleider met een veiligheidsfunctie bij een kunststof afvalverwerkingsbedrijf. Tijdens een poging om folie te verwijderen uit een bandtransporteur, die in werking was, is de mouw van zijn trui tussen de keerrol en een transportband terecht gekomen, waardoor zijn rechter arm bekneld is geraakt en uiteindelijk volledig is afgerukt.

Hij raakt volledig arbeidsongeschikt en stelt de werkgever aansprakelijk op grond van primair artikel 7:658 BW (de zorgplicht) en subsidiair artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap). De kantonrechter wijst de vordering af, omdat van oordeel is, dat de werkgever zijn zorgplicht niet heeft geschonden en het ongeval niet had kunnen voorkomen (Kantonrechter Sittard-Geleen, 9 april 2008, LJN BC8906, Arbo Actueel 2008, 10).

De werknemer gaat in beroep. De werkgever voert aan, dat de werknemer een zeer ervaren ploegleider was en verantwoordelijk voor de veiligheid van het productieproces. Tegen alle voorschriften in had hij echter zijn arm gestoken in de richting van de draaiende transportband, die aan alle vereisten voldeed. Tevens stelt de werkgever dat niet kan worden verwacht dat er continu toezicht wordt gehouden op een werknemer wiens taak het is om toezicht te houden.

Zorgplicht

Volgens het hof dient bij de beantwoording van de vraag of de werkgever in zijn zorgplicht tekort is geschoten rekening te worden gehouden met de kans op een bepaalde handelswijze van een werknemer die tot een ongeluk kan leiden. Daarbij is met alleen de grootte van de kans van belang, maar ook de aard, ernst en omvang van de schade als het ongeluk zich voordoet, alsmede de mate van bezwaarlijkheid (financieel en anderszins) van de voorzorgsmaatregelen. Het feit dat het gebruik van een machine een risico op ongevallen met zich meebrengt, wijst in de richting van een vergaande zorgplicht van de werkgever, ook ter voorkoming van schade door onwaarschijnlijke bewegingen van werknemers

Werkgever tekortgeschoten

Het hof oordeelt dat werknemer geen veiligheidsman was, maar een groot aantal uitvoerende taken had en dat hij onder hoge werkdruk dagelijks omgang met machines had. Dit heeft ertoe bijgedragen dat door hem niet de nodige voorzichtigheid in acht is genomen. Het had op de weg van de werkgever gelegen om te onderzoeken of afdoende preventieve maatregelen nodig waren en dat niet had mogen toestaan dat de machine zonder dergelijke maatregelen werd gebruikt. Hierdoor is een risico in het leven geroepen dat een ongeval kan plaatsvinden. Daarmee is de werkgever tekortgeschoten in zijn zorgplicht.

Bron: Hof ’s-Hertogenbosch, 12 juli 2011, Prg 2011, 214; LJN BR1513

Alle werkinstructies genegeerd
2011/09/26 20:27:09
26 september 2011

Begin januari 2009 zijn enkele operators van een raffinaderij bezig met het drainen van water uit de refluxleiding van een destillatietoren. De drain is verstopt en een van de operators stopt een ringsleutel in de afsluiter van de drain om de verstopping te lokaliseren. Daardoor ontstaat een fikse lekkage van gasolie.

Het bedrijf wordt vervolgd wegens overtreding van de milieuwetgeving en artikel 6 Arbowet (eerste lid, eerste volzin: tegengaan en beperken van zwarte ongevallen).

Volgens de werkgever ligt de schuld bij de operator omdat die heeft gehandeld in afwijking van de werkinstructie.

Volgens de rechtbank gaat het om de vraag of het gedrag van de operator zo uitzonderlijk is binnen de bedrijfsvoering van de rechtspersoon dat dit gedrag redelijkerwijs niet aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. De operator heeft verklaard dat hij, nadat het uitstromen van vloeistof was gestopt, met een schroevendraaier heeft willen voelen waar de verstopping ongeveer zat. Omdat hij niets voelde was die kennelijk te kort.

Daarna probeerde hij het met de ringsleutel, terwijl zijn collega op zoek ging naar een lang stuk betonijzer om in de drain te kunnen steken. Het drainen behoort tot de standaard operationele werkzaamheden en uit getuigenverklaringen blijkt dat het gebruikelijk was om met een schroevendraaier te controleren of de afsluiter open staat. Ook het doorsteken van een verstopping op deze manier was niet ongebruikelijk. Volgens het bedrijf werd dit inderdaad vaker zo gedaan, maar dan bij ingeblokte installaties.

De rechtbank concludeert dat deze werkwijze heeft geleid tot de verboden emissie van gasolie. Omdat dit onderhoudswerk deel uit maakte van de dagelijkse praktijk van de bedrijfsvoering, kan het gedrag van de operator aan de rechtspersoon worden toegerekend. Duidelijk is dat niet alle noodzakelijke maatregelen zijn getroffen om zware ongevallen te voorkomen en/of de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken.

Want de werknemers werkten aan een refluxleiding waarin zich gasolie boven de zelfontbrandingstemperatuur bevond, terwijl bij het verwijderen van water uit die leiding niet de interne instructie ‘watervrij drainen’ werd gevolgd. Ook begonnen zij zonder risico-inventarisatie of plan van aanpak met het lokaliseren van de verstopping en het ontstoppen van die leiding Ten slotte ontbrak het daadwerkelijk toezicht op het opvolgen van de werkinstructies of procedures tijdens werkzaamheden van het bedienend personeel.

De rechtbank verklaart beide ten laste gelegde feiten bewezen. Voor overtreding van artikel 18.18 Wet milieubeheer en artikel 6 Arbowet wordt de rechtspersoon veroordeeld tot een boete van totaal 20.000 euro (de eis was twee maal 15.000 euro).
 

Bron: Rechtbank Rotterdam, 3 februari 2011, LJN: BP9519
Arbeidsongeval, meten is weten!
2011/07/27 20:38:39
27 juli 2011

Een belangrijk element in het arbobeleid van de werkgever is dat hij voorkomt dat de werknemers risico’s lopen om het slachtoffer te worden van een arbeidsongeval op de werkplek. Bij bijzondere werkzaamheden zal de werkgever altijd specifieke beschermingsmaatregelen treffen. In dat kader zal hij vooraf nauwkeurig in kaart moeten brengen hoe de arbeidssituatie is en welke risico’s zich kunnen voordoen. De praktijk laat zien dat problemen die zich voordoen vaak te maken hebben met een gebrek in de voorbereiding. Uitgangspunt is uiteraard dat de voorbereiding zo zorgvuldig mogelijk moet gebeuren met gebruik van de juiste gegevens. Maar waar mag de werkgever op vertrouwen bij zijn voorbereiding en in hoeverre mag van hem verwacht worden dat hij de door hem gebruikte gegevens ‘dubbelcheckt’?

Een voorbeeld hiervan is een casus waarover de rechtbank zich op 13 juli 2011 heeft gebogen. Het betrof een dodelijk arbeidsongeval dat eind november 2008 plaatsvond. Bij het plaatsen van een staalconstructie is een werknemer dodelijk verongelukt. De staalconstructie woog circa 14 ton en was 38,8 meter lang, 7,4 meter breed en 2,4 meter hoog. Zij bestond uit twee gedeelten, die met behulp van bouten aan elkaar bevestigd waren. De staalconstructie moest zodanig in de hal geplaatst worden dat deze op hoogte gebracht moest worden. Bij het heffen van de staalconstructie is deze tegen een schoor, die het hoofdspant van de bedrijfshal verbindt met een stalen gording van de dakconstructie, aangedrukt, waarna de staalconstructie meteen brak. De werknemer van Mammoet is getroffen en bekneld geraakt door het deel van de staalconstructie dat bij het breken van deze constructie naar beneden viel.

De minister heeft de werkgever een boete van € 10.800,00 opgelegd en heeft onder meer gesteld dat de werkgever de risico’s onvoldoende heeft geïnventariseerd. De werkgever heeft namelijk, aldus de minister, niet door middel van een fysieke meting onderzocht of de staalconstructie op de gewenste hoogte kon worden gebracht zonder dat daarbij de schoor geraakt zou worden. De werkgever heeft dit beoordeeld aan de hand van tekeningen van de hal, waarop de schoor niet is ingetekend. De werkgever stelt dat zij kon afgaan op de tekeningen van de architect die de hal heeft ontworpen en stelt beroep tegen de boeteoplegging in. De rechtbank is van oordeel dat de werkgever niet alleen op de tekeningen had mogen afgaan. Tussen het dak van de loods en de staalconstructie bestond tijdens het vervoer een tussenruimte van slechts vijf centimeter. Bij de vereiste zeer nauwkeurige voorbereiding van het transport van de staalconstructie had de werkgever moeten onderkennen dat de schoor in de weg zou zitten. Dat de schoren niet stonden op de tekeningen waarover de werkgever beschikte, doet daaraan niet af. Met een lasermeting had zij de afstand tussen eventuele obstakels kunnen meten, zeker gezien de schoor zich op slechts negen meter boven de vloer van de hal bevond.

De rechter verklaart het beroep van de werkgever ongegrond. Meten is weten is een bekend gezegde en geldt ook hier. Van de werkgever had een eigen meting verwacht mogen worden, iets wat bij dit soort zeer grote projecten eerder regel dan uitzondering is!

Rechtbank Leeuwarden, 13 juli 2011 LJN: BR2412
Bron: Arbozone.nl

Zorgplicht: tegen agressie verzekeren
2011/07/04 19:25:34
04 juli 2011

Een man werkt als sociotherapeut bij een zorginstelling die onder andere zorg biedt aan psychiatrische patiënten. In augustus 2006 grijpt een patiënt tijdens een gesprek met de sociotherapeut hem onverwacht bij zijn rechterarm en draait die op zijn rug.

Bij het horen van een knappend geluid schrikt de patiënt en laat direct de arm los. Het gevolg van deze armklem is een gescheurde spier in het schoudergewricht. De therapeut wordt hieraan verschillende keren geopereerd. De werknemer stelt zijn werkgever voor de schade aansprakelijk, primair op grond van art. 7:658 BW (de zorgplicht van de werkgever) en subsidiair op grond van art. 7:611 BW (goed werkgeverschap).

De kantonrechter wijst de vordering af, omdat het een ongelukkig voorval betreft. De werknemer gaat in beroep. Het gerechtshof overweegt dat de werkgever niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht op basis van artikel 7:658 BW. Mogelijk was er geen signaleringsplan en/of een risicotaxatie. Maar zelfs als die stukken er wel waren geweest, had dat de situatie niet veranderd, omdat de betrokken patiënt niet als agressief of onberekenbaar bekend stond.

Uit een rapport van de Arbeidsinspectie blijkt onder meer dat de voorlichting over en de training met betrekking tot het omgaan met agressie en geweld te wensen overliet. Vaststaat dat de therapeut een anti-agressiecursus heeft gevolgd. Wellicht heeft hij die onvoldoende herhaald. Maar zelfs als hij vaker op herhalingscursus zou zijn geweest dan kennelijk nu het geval is, had dat geen verschil gemaakt. Voorafgaand aan de handeling van de patiënt was er geen sprake van een gespannen situatie en de handeling gebeurde zo snel dat de werknemer dit niet had kunnen voorkomen. De werknemer beschikte over een alarmpieper.

Maar anders dan de kantonrechter, is het hof van oordeel dat de eisen van goed werkgeverschap in een geval als dit, in kunnen houden dat een werkgever een behoorlijke verzekering afsluit voor zijn werknemers. De sociotherapeut moest namelijk werk doen waaraan serieuze specifieke veiligheidsrisico's verbonden zijn. Risico’s die niet (volledig) door het treffen van veiligheidsmaatregelen kunnen worden weggenomen.

 

Een vereiste voor een dergelijke verzekeringsplicht is wel dat de werkgever in de periode van het ongeval tegen redelijke voorwaarden een verzekering had kunnen afsluiten die dekking zou hebben geboden tegen schade door deze agressie in het uitoefenen van de functie. Het hof gelast daarom hierover overleg tussen de partijen. De werknemer moet zelf ook uitzoeken of een adequate verzekering beschikbaar is.
 

Bron: Gerechtshof Leeuwarden, 11 januari 2011, JAR 2011, 56; LJN: BP1174
Werkgever niet aansprakelijk
2011/06/21 21:18:41

21 juni 2011

Een man werkt als monteur bij een ramenfabriek en probeert in oktober 2004 met een koevoet een stalen kozijn te verwijderen. De koevoet schiet uit en komt met behoorlijke kracht tegen zijn gezicht aan waardoor zijn gebit beschadigd raakt.

Zijn vordering tot schadevergoeding wordt door de kantonrechter afgewezen en hij gaat in beroep. De werkgever stelt, dat de werknemer de nodige beschermingsmiddelen heeft en dat er in algemene zin is gewaarschuwd tegen de gevaren in verband met de gebruikelijke werkzaamheden. De werknemer was een vakbekwaam, VCA-gecertificeerd monteur.

Het verwijderen van kozijnen behoorde tot zijn normale werkzaamheden als monteur van kunststofkozijnen. Wel moest hij vaker houten dan stalen kozijnen verwijderen. De werknemer verwijst naar de risicoprofielen die de Stichting Arbouw heeft opgesteld. Voor slopers wordt daarin gewezen op gevaar van uitschietend gereedschap en geadviseerd om een gelaatsscherm of veiligheidsbril te dragen.

Ook wordt gewaarschuwd voor uitschietend gereedschap. Omdat er volgens de werknemer weinig verschil is tussen het werk van een sloper en een monteur heeft de ramenfabriek ten onrechte geen gelaatsscherm beschikbaar gesteld. Het gerechtshof stelt voorop dat de koevoet niet ondeugdelijk was. Op zichzelf is een koevoet ook geen intrinsiek gevaarlijk stuk gereedschap.

In hoeverre voor slopers of kozijnmonteurs een veiligheidsbril volstaat of dat een gelaatsscherm vereist is, hangt volgens Arbouw, anders dan de werknemer stelt, kennelijk af van de risico's van het project. Dat een koevoet bij gebruik kan uitschieten en letsel kan veroorzaken als het lichaam wordt geraakt is een algemeen bekend risico. Art. 7:658 BW beoogt evenwel geen absolute waarborg te bieden aan de werknemer tegen ieder gevaar.

De enkele omstandigheid dat een algemeen bekend risico van schade zich verwezenlijkt, schept voor een werkgever nog niet de verplichting om maatregelen te nemen ter voorkoming. Dat is volgens het hof in dit geval niet anders. De gevarenzone bij een uitschietende koevoet is niet specifiek beperkt tot het gebit of het gezicht van een werknemer, maar kan het hele lichaam betreffen. Er is geen geschreven norm die verplicht om te voorzien in een algehele lichaamsbepantsering.

Gezien de aanbevelingen van Arbouw is het maar de vraag of de werknemer bij dit project zodanige risico's liep voor schade aan zijn gebit of gelaat, dat zijn werkgever daar rekening mee had moeten houden en een gezichtsmasker had moeten verschaffen in plaats van - alleen - een veiligheidsbril. Daarover is ook niets gesteld. De ramenfabriek heeft er ook nog op gewezen, dat jaarlijks meer dan 3500 kozijnen worden verwijderd, maar dat een dergelijk ongeval nog nooit is gebeurd.

Achteraf gezien was er hoogstwaarschijnlijk geen schade geweest als de werknemer een gelaatsmasker had gedragen. Maar dat is niet voldoende om aan te nemen dat de werkgever zich van te voren bewust had moeten zijn van het specifieke gevaar van gebits- of gelaatsbeschadiging bij dit project en daarom een gelaatsmasker ter beschikking had moeten stellen. Het beroep van de werknemer wordt afgewezen.

Bron: Gerechtshof Leeuwarden, 14 december 2010, LJN: BP1093

Preventiemedewerker moet onafhankelijk zijn
2011/05/10 19:44:16
10 mei 2011

Een man werkt sinds 1991 als bedrijfsleider. Hij wordt, met toestemming van het CWI, door de werkgever eind juni 2003 ontslagen. De werknemer verzet zich tegen dit ontslag, omdat hij van mening is dat zijn ontslag in strijd is met het opzegverbod.
 

Hij is immers aangesteld als deskundige medewerker (de preventiemedewerker van art. 14 Arbowet 1998) en dan is, op grond van artikel 7:670a Burgerlijk Wetboek, bij ontslag vooraf toestemming van de kantonrechter nodig. Zowel de kantonrechter als het gerechtshof wijzen de vordering van de werknemer af. Die gaat in cassatie.
 

De Hoge Raad is echter van oordeel dat het hof terecht het verzoek van de werknemer heeft afgewezen. De werknemer was door de werkgever niet met zoveel woorden aangewezen als deskundig werknemer in de zin van art. 14 lid 1 Arbowet 1998. Dat betekent op zich nog niet dat de bedrijfsleider de werkgever niet als deskundig werknemer bijstond.
 

Maar vooral het feit dat de werknemer ten opzichte van de directie geen onafhankelijke positie had, is van belang. In zijn functie als bedrijfsleider had hij immers al de gebruikelijke zorg voor veiligheid en gezondheid van de werknemers. Daarnaast is ook niet gebleken dat hij voor die werknemers als onafhankelijk deskundig werknemer te raadplegen was.
 

Op grond van dit alles heeft het hof geoordeeld dat de werknemer niet de positie van deskundig werknemer had zoals de Arbowet 1998 dat bedoeld heeft. De Hoge Raad ziet daarin geen onjuiste rechtsopvatting. Omdat de Hoge Raad zich verder niet met de feiten kan bezighouden, worden die verder niet nader onderzocht. Maar de Raad acht het oordeel van het hof ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Het verzoek van de werknemer wordt verworpen.
 

Noot: In de conclusie van de Advocaat Generaal staat onder meer dat het bijzondere opzegverbod van art. 7:670a lid 1 BW jo. art. 14 lid 1 Arbowet 1998 (Nu: art. 13 Arbeidsomstandigenhedenwet) verband houdt met Richtlijn 89/391/EEG. Dit heeft tot doel te bevorderen dat preventiewerknemers zich onafhankelijk kunnen opstellen.

Bron: Hoge Raad 27 februari 2009, NJB 2009, 557

Ongeval tijdens beroepsopleiding
2011/04/18 21:17:54
18 april 2011


Een man werkt sinds eind augustus 2006 als bewaarder/complexbeveiliger via de DJI Pool (Dienst Justitiële Inrichtingen). Op 18 september 2006 volgt hij de verplichte opleiding Elementaire Zelfverdediging. Tijdens een geweldsoefening raakt hij met een medecursist uit balans en valt hard op de grond. Hij ontwricht daarbij zijn sleutelbeen en schouder, waardoor hij tijdelijk arbeidsongeschikt is.


In juli 2009 meldt hij het voorval met het formulier Registratie /melding arbeidsongeval bij de minister van Justitie (nu: Veiligheid en justitie). Die wil het ongeval, in afwijking van een advies van de bezwaarcommissie, niet aanmerken als een beroepsincident. De bewaarder gaat in beroep. De rechtbank overweegt dat in artikel 35, aanhef en onder f, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) onder beroepsincident wordt verstaan: ‘een dienstongeval of een beroepsziekte voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van zijn taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken’.

 

In de toelichting bij de wet staat dat het in het algemeen belang is dat ambtenaren die zich uit hoofde van hun functie in bijzondere gevaarlijke, risicovolle situaties moeten begeven (zoals penitentiair inrichtingswerkers en wegwerkers van Rijkswaterstaat) hun werk blijven doen. Zij krijgen daarom vooraf de garantie dat het bevoegd gezag de schade dekt, voor zover die schade het gevolg is van de verrichtingen in die bijzonder risicovolle situaties.

 

Volgens de rechtbank kan er pas van een beroepsincident worden gesproken, als er een directe relatie is tussen de schade en de gevaarzettende situatie. En die situatie moet weer rechtstreeks verband houden met de taken van een penitentiair medewerker. Vast staat dat de bewaarder niet bezig was met een penitentiaire taak, zoals het begeleiden en bewaken van gedetineerden, maar bezig was met een verplichte zelfverdedigingscursus, die hij samen met enkele collega’s volgde.

 

Zo’n cursus, uitgevoerd in een speciale zaal, levert volgens de rechtbank geen gevaarzettende situatie op zoals in de wet bedoeld. Het gaat immers om een oefensituatie waarbij – anders dan in de echte werksituatie het geval is – waarborgen zijn gecreëerd om fysiek letsel (zoveel mogelijk) te voorkomen. Zo lagen er matten, kon de oefening op verzoek worden beëindigd en was er toezicht van een instructeur. Dat desondanks een medecursist het stopteken van het slachtoffer zou hebben genegeerd, betekent niet dat er sprake is van een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met zijn taak als penitentiair medewerker. Daarom is het ongeval terecht niet aangemerkt als een beroepsincident. Het beroep is daarmee ongegrond.

Bron: Rechtbank ’s-Hertogenbosch, 2 december 2010, LJN: BO6027

Arbeidsongeval. Wie houdt toezicht op de toezichthouder?
2011/04/07 19:39:43
07 april 2011

Toezicht op de correcte naleving van de arbeidsomstandighedenregelgeving gebeurt vaak door een werknemer die daarnaast ook reguliere werkzaamheden verricht. Deze werknemer is dan ook het verlengstuk van de werkgever. Maar wat nou als deze werknemer zelf slachtoffer wordt van een arbeidsongeval. Kan je als werkgever dan nog stellen dat je voldoende toezicht hebt gehouden? Deze vraag deed zich begin februari voor bij de rechter die oordeelde dat het de werkgever zelf is op wie de toezichthoudende taak rust.

De casus was als volgt. Binnen de onderneming werd het toezicht op de arbeidsomstandigheden feitelijk uitgevoerd door de leidinggevende die tevens ook iedereen aanstuurde. Deze werknemer gaf altijd de instructie tot het plaatsen van de hekken bij bepaalde werkzaamheden. Toen hij zelf reguliere werkzaamheden verrichtte heeft hij echter deze hekken niet geplaatst waardoor hij zelf ten val is gekomen.

De werkgever wordt beboet door de Minister, maar stelt onder andere dat de boete moet worden gematigd nu hij wel heeft voldaan aan de eis dat er een adequate vorm van toezicht was. De werkgever stelt dat de betrokken werknemer tevens de toezichthouder was binnen de onderneming en daarmee het adequate toezicht gegeven is.

De rechter stelt echter dat de werkgever verplicht is toe te zien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de risico’s, alsmede op het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. Dat de betrokken werknemer zelf leidinggevende en toezichthouder was, ontslaat de werkgever niet van deze verplichting. Gebleken is namelijk dat de werknemer in strijd met de instructies zonder aanwezigheid van een andere werknemer de roosters heeft weggehaald die het gat in de vloer afdichten, verzuimd heeft hekken rondom het gat te plaatsen en vervolgens in het gat is gevallen.

Kortom, wie houdt toezicht op de werknemer-toezichthouder zodra deze laatste ook reguliere werkzaamheden gaat verrichten? Juist in situaties waarin werknemers naast reguliere werkzaamheden toezichthoudende taken hebben, is het van belang om afspraken te maken wie toezicht houdt op de toezichthouder. Dit kan eenvoudig gerealiseerd worden door heldere werkafspraken te maken en door het instellen van ‘vervangende’ toezichthouders die hun toezichthoudende taak oppakken zodra de reguliere toezichthouder van kleur verschiet en zelf bepaalde werkzaamheden gaat verrichten.

Raad van State, 9 februari 2011, LJN: BP3723

Uitgegleden op pas gedweilde vloer
2011/04/04 19:40:44
04 april 2011

Eind mei 2003 wordt door de firma Brandschoon de hal van een bedrijfspand gedweild. De hal heeft een tegelvloer met geglazuurde tegels. De schoonmaker gebruikt een mopemmer met aan beide zijden onder elkaar de woorden ‘Caution wet floor’ en daarop ook een driehoek met uitroepteken.
 

Werknemer Jansen, in dienst van de eigenaar van het bedrijfspand, glijdt bij het verlaten van een kantoor uit op de tegelvloer en loopt een gecompliceerde beenbreuk op. Hij heeft de emmer en de waarschuwingen niet gezien. Jansen stelt Brandschoon aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval op grond van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad). De rechtbank wijst de vordering in november 2006 af (LJN AZ3700) en Jansen gaat in beroep.
 

Het hof begint met de vaststelling dat gevaarscheppend gedrag pas onrechtmatig is, als er een voorzienbare grote kans bestaat dat schade kan optreden en de veroorzaker dan nog nalaat daar iets tegen te doen. Of er dan veiligheidsmaatregelen nodig zijn, moet worden beoordeeld aan de hand van de kelderluikcriteria (zie HR 5 november 1965, NJ 199, 136). Van Jansen kon niet zo maar worden verwacht dat hij de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht zou nemen.
 

Het schoonmaken gebeurde niet op vaste tijden. Doordat veel tegels geglazuurd zijn, kon hij ook niet zien dat die door de schoonmaak extra glad waren geworden. De kans dat er door een pas gedweilde vloer ongevallen ontstaan, moet groot worden geacht. Dat volgt ook uit de ‘Aanbevelingen veilig schoonmaken’ van de brancheorganisatie. Bij natte geglazuurde tegels is die kans nog groter. Bovendien kunnen de gevolgen van een val op een gladde vloer vrij ernstig zijn.
 

Gezien dit alles is het hof van oordeel dat het op de weg van Brandschoon lag om de nodige maatregelen te treffen. Dit volgt ook uit de aanbeveling van de brancheorganisatie. Deze luidt dat bij natte vloerreiniging de werkplek met waarschuwingsborden moet worden gemarkeerd. Het gaat hier om normen die in de schoonmaakbranche algemeen bekend zijn. Het hof acht de waarschuwing op de emmer geen afdoende maatregel. Het geringe contrast tussen de middelblauwe kleur van de emmer en de opdruk valt onvoldoende op, zodat daar ook geen waarschuwing van uitgaat. Bovendien kan de emmer zelf als gevaarscheppend object worden gezien! De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de vordering van Jansen wordt toewezen.
 

Bron: Gerechtshof Amsterdam, 26 januari 2010, LJN: BO7591
Gezakt door golfplaten dak
2011/03/16 20:00:57
16 maart 2011
 

In oktober 2007 zakken twee werknemers van een asbestsaneerder door een golfplaten dak. Een van hen loopt daardoor een dwarslaesie op, de ander raakt relatief gezien slechts licht gewond. Het Openbaar Ministerie gaat over tot vervolging van de BV.

Want er is gebruikgemaakt van een standaardwerkplan dat niet was toegesneden op dit werk, terwijl de werkgever wist of had kunnen weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers kon ontstaan (art. 32 Arbowet).

 

Het bedrijf vindt dat van nalatigheid geen sprake is. Een van de slachtoffers was een DTA’er (Deskundige Toezichthouder Asbestverwijdering) en diens optreden valt niet onder verantwoordelijkheid van het bedrijf. En mocht dat wel zo zijn, dan betekent een onvolledig werkplan nog niet dat er onvoldoende maatregelen waren getroffen en dat dus calamiteiten voorzienbaar waren. Er zijn voldoende instructies gegeven en het toezicht op de naleving is de verantwoordelijkheid van de DTA’er op de werkplek.

 

De politierechter stelt vast dat er niet draagkrachtige asbesthoudende golfplaten werden verwijderd van het dak van een schuur op circa vier meter hoogte. In het werkplan stond niet aangegeven hoe de platen verwijderd moesten worden. Er waren ook geen veiligheidsnetten gespannen, maar alleen een min of meer provisorisch gespannen lijn over de lengterichting van het dak. Kort daarvoor had de Arbeidsinspectie op een ander karwei van het bedrijf het werk stilgelegd wegens onvoldoende bescherming tegen valgevaar. De bedrijfsleider was daarvan op de hoogte.

 

De rechter komt tot de slotsom dat het VGM-plan in te algemene termen was gesteld. Er had meer in moeten staan, zoals welke veiligheidsmaatregelen concreet getroffen hadden moeten worden en dat er gewerkt zou moeten worden met rolsteigers, vanglijnen en dakladders (art. 4.50 Arbobesluit). Doordat er geen eenduidige maatregelen waren voorgeschreven, ontstond op z’n minst het risico dat daarover misverstanden gingen ontstaan.

 

Er was onvoldoende toezicht op de naleving van de instructies, noch op het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, noch op het aanbrengen van veilige en doelmatige steigers, hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen als een hoogwerker of vangnetten (art. 3:16 Arbobesluit). Binnen het bedrijf wijzen voor de veiligheid diverse functionarissen naar elkaar. Dit had voorkomen kunnen worden door een en ander concreet en gedetailleerd vast te leggen. Dat dit niet gebeurd is, valt het bedrijf aan te rekenen.

 

Dat daarnaast de DTA’er mogelijk verwijten kunnen worden gemaakt, doet daar niet aan af. Door dit alles heeft een arbeidsongeval plaatsgevonden met als gevolg dat één werknemer zwaar lichamelijk letsel en een ander enig lichamelijk letsel heeft opgelopen. De BV wordt, conform de eis van het OM, veroordeeld tot een geldboete van 10.000 euro, waarvan de helft voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
 

Bron: Rechtbank Zutphen, 13 december 2010, LJN: BO7141
Ziek in de tropen
2011/03/10 19:35:55
10 maart 2011
 

Een ingenieur verricht voor een ingenieursbureau werkzaamheden op zee in de tropen. Op een platform voor de kust van Gabon wordt hij ziek, volgens hem veroorzaakt door het drinken van verontreinigd water uit een onverzegelde fles dat gebruikt werd om koffie mee te zetten.

Op een ander platform wordt hij weer ziek, volgens hem door de onhygiënische omstandigheden. Een antibioticakuur pakt verkeerd uit, omdat hij allergisch is voor het medicijn. Uiteindelijk raakt hij arbeidsongeschikt en hij stelt zijn werkgever aansprakelijk op grond van art. 7:658 BW (zorgplicht). Kantonrechter en gerechtshof wijzen de vordering af en de werknemer gaat in cassatie.

 

De Advocaat-Generaal concludeert dat van de werkgever meer maatregelen mochten worden verwacht dan nu waren genomen. De Hoge Raad denkt daar anders over. Volgens haar heeft het hof terecht geoordeeld dat de werknemer onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij van mening is dat de werkgever niet genoeg heeft aangetoond dat hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Daarmee heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting inzake de stelplicht en de bewijslast van art. 7:658 tweede lid BW. De werkgever heeft juist op een begrijpelijke en toereikende manier gemotiveerd dat er van hem geen nadere maatregelen konden worden gevergd dan de gegeven instructies en de verzegelde flessen drinkwater op het platform.

 

Het hof heeft als uitgangspunt genomen dat het algemeen bekend is dat er in tropische landen ernstige infectieziekten kunnen volgen als men water drinkt dat niet in gesloten flessen zit. Daarvoor hoefde de werkgever niet meer instructies te geven dan nu is gedaan.

Het beroep van de werknemer wordt verworpen.


Bron: Hoge Raad, 26 november 2010, NJB 2010/2240; LJN BN9977
Aanpassing RI&E in Arbowet en -besluit per 1 april 2011
2011/02/23 19:58:47

23 februari 2011

De wijzigingen van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit ten aanzien van de RI&E treden op 1 april 2011 in werking. De wijziging van het Arbobesluit is nu ook officieel gepubliceerd.

De belangrijkste wijzigingen vloeien voort uit de in de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) gerealiseerde aanpassing van het toetsingsregime voor de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E). De verplichting tot het vragen van deskundige bijstand bij het toetsen van de RI&E geldt niet meer wanneer een werkgever met ten hoogste 25 werknemers gebruik maakt van een zogenoemd instrument dat is aangemeld bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of een door de Minister aangewezen instelling.

Het zogenoemde inzagerecht met betrekking tot de RI&E is weer in artikel 5 van de Arbowet opgenomen. Dat maakt ook een wijziging van het Arbobesluit nodig, waardoor een eerder met ingang van 1 januari 2007 geschrapte bepaling die verband houdt met het nu weer opgenomen artikel 5, zesde lid, opnieuw wordt opgenomen.

Staatsblad. 2011, 56:  Wijziging Arbeidsomstandighedenbesluit t.a.v. de risico-inventarisatie en -evaluatie

Staatsblad 2011, 55: Inwerkingtreding wijziging van o.a. de Arbeidsomstandighedenwet t.a.v. risico-inventarisatie en -evaluatie

Bron: szw

Veiligheid in gevaar door routine
2011/01/25 19:45:32
24 januari 2011
 

Een man, bijna 50 jaar oud, werkt al twintig jaar als senior machinist bij een industrieel reinigingsbedrijf. Hij geeft ook leiding aan een groep medewerkers die reinigingswerk uitvoeren bij een chemisch concern. De werknemer heeft zich in de loop der tijd diverse malen niet aan de veiligheidsvoorschriften gehouden.

De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Hij voert aan dat veiligheid bij de uitvoering van de werkzaamheden een zeer grote rol speelt en dat er voor iedere opdracht een werkvergunning, met daarin de te nemen veiligheidsmaatregelen, moet worden afgegeven.

 

In april 2008 kreeg de man een eerste officiële waarschuwing, nadat hij wegens werken zonder vergunning door de opdrachtgever voor één maand van het terrein was gezet. In september van dat jaar heeft hij een tweede waarschuwing gekregen, omdat hij verboden werkzaamheden deed aan een drukvacuümwagen. In maart 2010 heeft hij in plaats van een vergunning te vragen een eigen risico-inschatting gemaakt. Hij heeft een derde waarschuwing gekregen met de aanzegging dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou worden gevraagd. De dag voor het laatste incident was er juist een bijeenkomst gehouden om het veiligheidsbewustzijn bij leidinggevenden in de operationele dienst te verhogen.

 

De werknemer voert aan dat veiligheidsvoorschriften moeten worden nageleefd, maar dat die in de praktijk niet altijd uitvoerbaar zijn. Soms is de situatie erg hectisch en moet er door gebrekkige planning onder hoge tijdsdruk worden gewerkt. Verder vecht hij de gegeven waarschuwingen aan. En ten slotte vindt hij ontbinding een te zwaar middel.

 

De kantonrechter stelt voorop dat in de petrochemische industrie – naar algemeen bekend is – alles wat met veiligheid te maken heeft, de hoogste prioriteit heeft. Dat geldt zeker ook voor een bedrijf als dat van de opdrachtgever, dat is gevestigd bij woonwijken, een aantal grote steden en een vliegveld. Van werknemers mag dan ook verlangd worden dat zij zich stipt aan de veiligheidseisen houden.

 

Dat veel werkzaamheden onder hectische omstandigheden moeten worden uitgevoerd, is een reden temeer, zeker voor een leidinggevende, om extra alert te zijn op de naleving van de veiligheidsvoorschriften. Wel moet de werkgever ervoor waken dat bij een ervaren werknemer routinematig werken of (een mate van) bedrijfsblindheid ontstaat die tot gevolg heeft dat er té los met veiligheidsvoorschriften wordt omgegaan. De werkgever heeft veel oog voor veiligheid en draagt dit bij zijn werknemers ook uit. De werknemer was voldoende op de hoogte van het sanctiebeleid. Het ontbindingsverzoek is toegewezen. Maar de werknemer wordt wel, gezien de duur van het dienstverband en zijn op zich goede staat van dienst, een vergoeding van 72.000 euro toegekend.
 

Bron: Kantonrechter Sittard-Geleen, 12 mei 2010, LJN: BM7053
Machinist komt onder eigen kraan
2010/12/06 19:23:16
06 december 2010
 

Een hijskraanbedrijf krijgt in augustus 2008 de opdracht om op een bouwwerk in Dordrecht aan een stalen constructie hijswerk uit te voeren met een telehijskraan. Bij het hijsen en verplaatsen van een metalen balk met een gewicht van 2,9 ton valt de kraan voorover. De last komt op het maaiveld terecht en de kraan valt daarna om.


De – ingehuurde – machinist springt tijdens het voorovervallen uit de kraan en rent weg. Maar niet snel genoeg. Want hij komt onder de mast van de kraan terecht en loopt blijvend zwaar lichamelijk letsel op.

 

Na onderzoek legt het ministerie van SZW in mei 2009 aan het kraanbedrijf een boete op van 8100 euro. Wegens overtreding van artikel 7:18, tweede lid, Arbobesluit. Dat geeft aan, dat een hijs- of hefwerktuig, behalve voor de beproeving, niet zwaarder mag worden belast dan de toegelaten bedrijfslast en ook niet zwaarder dan een veilig gebruik toelaat. Na bezwaar wordt de boete in september 2009 met twee derde verminderd tot 2700 euro. Het kraanbedrijf stapt naar de rechter omdat het vindt dat er ook voldoende toezicht is gehouden.

 

De rechtbank gaat ervan uit dat het kraanbedrijf op grond van art. 1 Arbowet moet worden gezien als werkgever van de ingehuurde machinist. Verder is er sprake van een overtreding van art. 7:18 Arbobesluit, omdat bij een vlucht van 30,5 meter de kraan zwaarder belast was dan een veilig gebruik toelaat. De werkgever heeft ook erkend dat de kraan overbelast moet zijn geweest.

 

Maar de rechtbank vindt dat er juist onvoldoende toezicht was. Zeker als je je realiseert welke gevaren er spelen tijdens het hijsen en overbrengen van zware lasten over een bouwplaats waar meerdere personen werkzaam zijn. Bovendien was het slachtoffer na zijn opleiding slechts drie maanden zelfstandig werkzaam, zodat hij niet als een ervaren zelfstandig werkende kraanmachinist kan worden beschouwd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
 

Bron: Rechtbank Arnhem, 22 juni 2010, LJN: BN2446
Overtreden rookverbod chemiebedrijf
2010/11/15 19:50:31
15 november 2010
 

Een procesoperator werkt sinds 2001 bij een chemisch bedrijf, waar met brandbare stoffen wordt gewerkt. In juli 2008 wordt het rookbeleid aangescherpt. Voor het hele terrein van 16 hectare geldt een strikt rookverbod, dat met een gele lijn wordt aangegeven. Daarbuiten is nog één locatie waar gerookt mag worden. Tijdens een nachtdienst rookt de procesoperator zo’n 20 meter achter de gele lijn. De volgende dag wordt hij telefonisch op staande voet ontslagen. Dat wordt later schriftelijk bevestigd.

De werknemer maakt bezwaar bij de rechter. Hij vindt het ontslag een te zware maatregel. Het roken leverde op de betreffende plek geen direct gevaar op en het was zijn eerste overtreding. Hij heeft negen jaar goed gefunctioneerd en het ontslag heeft grote persoonlijke gevolgen. Hij is een zware roker, heeft spijt van zijn actie en is bereid om publiekelijk excuses te maken.

 

Volgens de kantonrechter is het niet aan de werknemer om te beoordelen of het roken op een bepaalde plek al dan niet gevaarlijk is. Het gaat hier om een chemisch bedrijf dat grondstoffen produceert voor de verfindustrie. Er wordt met brandbare stoffen gewerkt en de productie is gebonden aan tal van vergunningen van provincie en brandweer. Op de naleving wordt jaarlijks gecontroleerd. De gevolgen van een mogelijke brand of ontploffing zijn niet te overzien, zowel voor het bedrijf als voor de naast gelegen stad.

 

Uit het oogpunt van veiligheid is daarom ook letterlijk een streep getrokken, de gele lijn. Het veiligheidsvoorschrift brengt met zich mee dat al bij een eerste overtreding de sanctieregeling in werking treedt. Als er eerst gewaarschuwd moet worden, doet dat afbreuk aan de bescherming die het voorschrift beoogt. Op grond van de cao is de werknemer mede verantwoordelijk voor de orde en veiligheid in het bedrijf en is hij verplicht de voorschriften na te leven.

 

Bij overtreding is de werkgever bevoegd disciplinaire maatregelen te nemen, zoals is overeengekomen met de ondernemingsraad. Met als ultieme sanctie: ontslag op staande voet. Deze regeling werd in januari 2009 aan het personeel duidelijk gemaakt met de mededeling: ‘vanaf heden zal een ieder die achter de gele lijn of tussen de laboratoria betrapt wordt op roken, op staande voet worden ontslagen. Veiligheid heeft de hoogste prioriteit. Hetgeen betekent dat we ons dergelijke risico’s niet kunnen veroorloven’.

 

De werknemer kan zich daarom niet meer verschuilen achter persoonlijke belangen en omstandigheden, hoe triest een ontslag voor hem ook uitpakt. Van een man van 40 jaar kan – mede gezien zijn lange dienstverband – verwacht worden dat hij het belang van het rookverbod voldoende inziet en zich daarnaar gedraagt. De vordering om het ontslag ongedaan te maken wordt afgewezen.
 

Bron: Kantonrechter Almelo, 13 augustus 2010, LJN: BN4074
Man glijdt uit op afvalinzamelingsplaats
2010/10/27 20:00:54
25 oktober 2010
 
Op een gemeentewerf kunnen inwoners elke tweede zaterdag van de maand hun afval inleveren. Het terrein is bestraat met stelconplaten. Op de inleverdagen wordt het terrein in opdracht van de gemeente beheerd door een derde die zo nodig achtergebleven afval opruimt.

Begin januari 2007 komt een man die afval aanbiedt ten val, doordat hij op de inzamelingsplaats uitglijdt. Hij spreekt de gemeente aan voor zijn schade op grond van de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). De gemeente stelt geen gladheid te hebben geconstateerd. Maar dat wordt door de rechtbank verworpen, omdat niet bekend is of iemand van de gemeente ter plaatse is gaan kijken. De rechtbank gaat daarom uit van de toedracht zoals door het slachtoffer is gesteld.

 

Het in het leven roepen van een gevaarzettende situatie kan tot aansprakelijkheid leiden, als die beantwoordt aan de zogenoemde Kelderluikcriteria die de Hoge Raad heeft geformuleerd in haar arrest van 5 november 1965. Dan moet men niet alleen letten op de mate van waarschijnlijkheid dat een derde niet de gebruikelijke oplettendheid en voorzichtigheid betracht, maar ook op de kans dat daardoor ongevallen ontstaan. En verder moet men kijken naar de ernst van de mogelijke gevolgen en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

 

De rechtbank vindt het van belang dat het hier gaat om een terrein waar afval wordt ingezameld. Aan de inrichting en het onderhoudsniveau van zo’n terrein kunnen niet al te hoge eisen worden gesteld. Zeker als dat terrein slechts beperkt wordt gebruikt en maar één ochtend per maand openstaat voor het publiek. Maar dan moet het voor het publiek nog wel veilig zijn. Vast staat dat er sprake was van algvorming op een of meer stelconplaten.

 

Volgens de rechtbank is het algemeen bekend dat algvorming op een betonnen plaat bij vochtig weer leidt tot gladheid en dat dit het risico van uitglijden meebrengt. De gemeente had er rekening mee moeten houden dat het publiek niet altijd de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht zou nemen. Maar van datzelfde publiek mag wel worden verwacht dat men enigszins voorzichtig is, omdat algemeen bekend is dat op terreinen waar afvalinzameling plaatsvindt sprake kan zijn van gladheid. Iedereen weet immers dat een dergelijk terrein vaker dan andere openbare terreinen is vervuild met bijvoorbeeld modder, rondslingerend afval of gemorste vloeistoffen.

 

De algengroei deed zich slechts voor op een beperkt deel van het terrein. Volgens de rechtbank was er daarom sprake van een aanmerkelijke kans dat men de algengroei niet opmerkt en daarop wegglijdt. De bijzondere service van de gemeente om dit terrein maandelijks open te stellen voor haar inwoners betekent wel dat aan de normale veiligheidseisen moet worden voldaan. Op grond van alle feiten en omstandigheden acht de rechtbank de gemeente als eigenaar van het terrein aansprakelijk. De gemeente heeft een gevaarzettende situatie laten ontstaan en voortbestaan en dat leidt tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW. Maar de rechtbank vindt ook dat er sprake is van eigen schuld van het slachtoffer (50%), omdat hij onvoldoende oplettend is geweest.

 

 

Bron: Rechtbank 's-Hertogenbosch, 28 juli 2010, LJN BN2829
20 Totaal items


© 2012 Opleidingsinstituut JTI®